december 11, 2019

Archeoloog Alfons De Belie

Op 14 maart 2013 is Alfons De Belie op 87-jarige leeftijd overleden. Hij werd geboren in 1926. De Belie stond in de naoorlogse tijd mee aan de wieg van de Oost-Vlaamse archeologie.  Zo was hij, samen met prof. dr. S.J. De Laet, één van de stichters van het Verbond voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in Oost-Vlaanderen (VOBOV). De Belie was ook jarenlang voorzitter van deze vereniging die professionele en amateurarcheologen bij elkaar trachtte te brengen. Zijn levenswerk was het archeologisch onderzoek van de middeleeuwse Baudelo-abdij in Klein-Sinaai. In december 2010 hadden we nog een interview met hem over zijn leven en werk. Omdat zijn gezondheid die morgen niet optimaal was, stelden we het interview uit tot een andere dag. Uitstel werd afstel...

Alhoewel meubelmaker van beroep vertoonde Fons, zoals hij gemeenzaam werd aangesproken, een grote interesse voor het erfgoed in het algemeen en voor archeologie in het bijzonder. Zijn levenswerk was ongetwijfeld de opgravingen van de Baudelo-abdij in Klein-Sinaai, waarover hij naderhand in het Stedelijk Museum van Sint-Niklaas eigenhandig een volledige zaal over inrichtte.

Naar de normen van vandaag waren zijn opgravingsmethodes en wetenschappelijke benadering misschien weinig accuraat, maar in de context van de tijd had De Belie de grote verdienste dat hij het abijdonderzoek op de voorgrond plaatste in een periode dat de middeleeuwse archeologie nog maar enkel een randfenomeen was. Als persoon was hij koppig en eigenzinnig, maar tegelijkertijd een doordrijver en een idealist die het erfgoed op zijn manier trachtte in de kijker te plaatsen. Een kleurrijk en markant figuur, die ons respect verdient omwille van zijn streven voor de Oost-Vlaamse middeleeuwse archeologie.

 

INTERVIEW GVA UIT HET JAAR 2000:

"Werken is mijn levensfilosofie", zegt Alfons De Belie (74) terwijl hij zijn slordige maar gezellige werkkamer toont. Het vertrek leeft. Tussen de vele boeken in oude kasten, werkt De Belie aan zijn historische en culturele publicaties. Als hij tijd heeft, want de jongste maanden was de humoristische duizendpoot bezig met de renovatie van de Belseelse Roomanmolen die hij enkele jaren geleden kocht. Alfons De Belie was de oprichter van Meubelen DEBA. Als amateur-archeoloog pakte hij de Boudelo-abdij in Klein-Sinaai aan. Als amateur-cultuurhistoricus werkt hij mee aan het 'Stad in de Tijd'-project. Zijn visie op de lokale ontwikkelingen is scherp, maar beargumenteerd. De oudere Belselenaars kennen hem als één van de 'kloefkes', naar het beroep van zijn vader. Gedreven en met een sterk Belseels accent vertelt de man over het verleden en het heden.Alfons De Belie vertelt over zijn jeugd, DEBA, de Boudelo-abdij en de Roomanmolen

 

- Gazet Van Antwerpen: Vertel eens iets over uw ouders.

Alfons De Belie: Mijn vader was een welstellende bomenverkoper. Hij verkocht uitsluitend hout aan klompenmakers, die hem maar betaalden als ze hun klompen hadden verkocht. Toen hij zestig jaar was, stierf zijn vrouw aan de Spaanse griep. Hij hertrouwde in 1919 met een meisje van 30 jaar, mijn moeder. Diepgelovig als ze waren, maakten ze zeven kinderen. Toen ik werd geboren, was mijn vader 69 jaar.

 

- Negenenzestig?

Ongelooflijk hé! Toen mijn broer Hubert werd geboren, was hij 74 jaar. Hoe ouder ik zelf wordt, hoe minder ik het begrijp. Ik mag van geluk spreken dat ik in die tijd het levenslicht zag. Vandaag de dag was ik nooit geboren. Ik heb mijn leven te danken aan de late ontdekking van de pil.

 

U hebt uw vader niet lang gekend.

Met de crisis van 1936 brak een mindere tijd aan. Het fortuintje van mijn vader dat uitstond in leningen, werd gekelderd. Hij overleed. Moeder moest het rooien met de inkomsten van een klein kruidenierszaakje. We moesten dus buitenshuis gaan werken. Ik spoelde flessen bij brouwer Boelens en ging suiker ziften in Suikerij De Colonie. De werkomstandigheden bij beide waren allesbehalve! Bij De Colonie verdiende ik één frank per uur.

 

 

Hoe presteerde u op school?

Ik was meestal de eerste van de klas. Als ik al eens tweede was, dan was dat te wijten aan mijn 'schoon schrift'. Derde ben ik nooit geweest. Ik had graag verder gestudeerd, maar dat was in die tijd alleen mogelijk als je pater werd.

 

Er zijn paters uit verscheidene orden aan de deur geweest. Eén van die ronselaars vroeg me of ik in een strenge, een middelmatige of een vrije orde wilde toetreden. De onnozelaar! Ik was twaalf jaar. Ik heb het de schoolmeester en de pastoor altijd kwalijk genomen dat zij niet eens met mijn moeder kwamen praten.

 

U ging dus werken?

Toen ik veertien jaar was ging ik op leercontract bij een bakker in Lokeren. Ik verdiende er vijftig frank per maand, de prijs van een maandabonnement voor de trein tussen Lokeren en Belsele. Een half jaar had ik geen halve dag vrijaf. Het ergste was dat ik niets, maar dan ook niets leerde.

In 1941 besloot ik om in Duitsland in de oorlogsindustrie te gaan werken. Ik had gehoord van de goede lonen. Moeder sloeg in paniek, want eens je had getekend, kwam de Gestapo je desnoods halen. Na veel turbulente momenten belandde ik in de staatsschool in de Regentiestraat in Sint-Niklaas.

Ook dat duurde niet lang. Na een week kwam de pastoor van Belsele mijn moeder verketteren. En toen mocht ik opeens wel verder studeren. De pastoor stuurde me naar het Sint-Jozef Klein Seminarie in de Collegestraat. Mijn ziel moest worden gered.

 

Beleefde u mooie tijden in het college of hoorde u geregeld, "Kom eens naar mijn kamer"?

Ik was veertien toen mijn klasgenoten twaalf jaar waren. De sfeer in de klas werd verpest door de zonen van enkele breigoedfabrikantjes uit Sint-Niklaas. Als zij bepaalden dat er een dag niets werd geleerd, dan werd er niets geleerd. De ezels! Ik werd gepest omdat ik altijd met mijn vinger in de lucht zat. Ik werkte mijn humaniora echter niet af. Door hevige groeipijnen - ik groeide dertig centimeter in vijftien maanden - werd ik ziek.

 

Waarom begon u meubelen te verkopen?

Mijn moeder zei, "Er is geen meubelwinkel in Belsele". Ze had gelijk. Ik kocht een huis in de Kasteeldreef en opende er op kerstdag 1949 een bescheiden meubelwinkeltje. In die tijd maakten alle schrijnwerkers in de winter meubelen, in de zomer werkten ze aan huizen. Echte meubelwinkels bestonden toen niet. Alleen in Mechelen en op de Louizalaan in Brussel waren enkele.

Ik begon meubelen te verhandelen zonder dat ik over enig kapitaal beschikte. Ik werkte altijd met een 'depot'. Vorig jaar stond DEBA op de dertiende plaats van de grootste meubelzaken. Er zijn 39 mensen tewerkgesteld.

 

Als ik me niet vergis, is de naam DEBA een afkorting van De Belie Alfons.

Inderdaad, DEBA klinkt goed. Onder meer de matrassenfabrikant BEKA uit Ruisbroek profiteerde jaren van de klankspeling.

 

Wanneer begon u zich bezig te houden met archeologie?

Mijn interesse voor opgravingen ontstond in de humaniora. Ook na de oprichting van DEBA hield ik me elke woensdag bezig met archeologie en deed ik aan zelfstudie. Een belangrijke stimulans kwam er in 1965. In dat jaar werd aan de universiteit van Gent een vereniging voor beroeps- en amateur-archeologen opgericht. Ik werd bij de bekwaamste amateur-archeologen gerekend en werd uitgenodigd.

Na vijf jaar raakte de vereniging in een impasse: de amateur-archeologen werden niet als volwaardige partners behandeld. De beroeps waren het gewoon om met betaalde medewerkers te werken. Daar wrong het schoentje. Toen ik me op een algemene vergadering liet gaan en zei wat iedereen dacht, werd dit me achteraf niet in dank afgenomen. Ach, veel leden van de vereniging waren 'potjeszoekers'. Ze hielden geen rekening met de context van de vondsten.

 

Wat stelde u dan voor?

Ik vroeg om de samenwerking te concretiseren in één project. Daarom zochten we contact met de Nationale Dienst voor Opgravingen in Brussel. Daar konden we kiezen tussen enkele sites in het Waasland. De opgravingen in de Boudelo-abdij in Klein-Sinaai waren het meest bedreigd. In de omgeving stond een nieuwe woonwijk gepland en er werden al wegen aangelegd.

 

U zette zich enorm in voor de site. Ging uw werk gepaard met veel moeilijkheden?

Van de Nationale Dienst voor Opgravingen kreeg ik veertien dagen. Stel u voor! Ik had tien jaar nodig. Bovendien stonden in het rijksarchief dertig meter boekbanden te wachten om te worden geraadpleegd. Ter plaatse groef ik een putje van twintig centimeter diep. Het liep direct vol water.

Via allerlei langdurige administratieve toestanden hebben we er toch jaren kunnen graven. Via de Culturele Kring Boudelo werden allerlei publicaties uitgegeven. Ik schreef onder meer werkjes over sagen en legenden, familienamen en oude Wase liedjes. Op die manier verzamelden we fondsen om verder te kunnen graven.

 

Vindt u de lokale geschiedschrijving goed?

Veel gemeentegeschiedenissen zijn beneden alle peil. De pastoor van Klein-Sinaai schreef ooit een boek over Boudelo. Ik heb nog nooit zo veel zever en onozelheden gelezen. Drie principes zijn belangrijk: wetenschappelijkheid, eenvoud en context. Het wetenschappelijke karakter van de geschiedschrijving moet bewaard blijven. Alle mensen moeten de werken kunnen lezen. Tenslotte zijn verbanden belangrijk. Napoleon die met zijn leger door Belsele trekt, dat is geen nieuws als je er niet bij vermeldt naar waar hij zich begaf.

 

Waarom kocht u een tijdje geleden de vervallen Roomanmolen?

Toen ik het gebouw kocht, lag er meer dan drie meter puin op de grond. Alles was rot en vervallen, maar de structuur is gered. Eigenlijk hoop ik dat de molen ooit terug zal malen. Ik hoop dat het stadsbestuur op een dag de historische waarde ervan inziet en een dak en wieken op de molen plaatst. De kosten daarvoor bedragen zeven miljoen frank. De molen grenst aan sporthal De Klavers en zou ook kunnen dienstdoen als klein cultureel centrum.

 

U bent geboren en getogen in Belsele. Vindt u Belsele nog een mooi dorp?

Jazeker. Er is natuurlijk veel veranderd. Je kan de tijd niet stilzetten. Het is niet zozeer de lintbebouwing die het landelijk karakter van Belsele aantast, maar de mengelmoes van verschillende bouwstijlen. Neem nu de Populierenwijk aan de Waterschoot: lelijk hoor!

 

Hebt u zich verzet tegen de annexatie van Belsele door Sint-Niklaas?

Nee, ondanks het feit dat er in de eerste zes jaar geen put in de weg werd gevuld, zag ik in dat Sint-Niklaas de beste oplossing voor Belsele was. Ook voor de annexatie richtten de Belselenaren zich vooral op de groeipool Sint-Niklaas. Kijk naar Elversele, dat werd geannexeerd door Temse, terwijl het eigenlijk bij Hamme hoort. Zij kwamen er minder goed vanaf.

Tweets

Nieuw boek over de oorsprong Klein-Sinaai en de Boudelo-Abdij is een prachtexemplaar dat je zeker moet hebben! http://t.co/6fXO29YYHb
Prachtige ochtend langs de Stekense Vaart http://t.co/sj0sXLmRoC
Vandaag reeds de eerste inschrijving voor de halloweentocht ontvangen. Het Halloweenteam kan er weer invliegen. http://t.co/kkFh9vvs9S
Follow Klein-Sinaai on Twitter
© 2019 Tony De Wilde. All Rights Reserved.

Please publish modules in offcanvas position.